Meisje hurkt aan de rand van de grot, kijkend naar het water dat uit de hemel valt. Ze wil haar hand uitsteken naar een van de lege blikjes om haar heen, misschien de buitenkant nog eens aflikken, maar ze heeft dit al te vaak gedaan. Het eten is op. Het is nu al vele malen op, meer dan ze tellen kan. Achter haar zijn de wolven rusteloos, hongerig. De hemel rommelt en brult. De bomen schudden van angst, en het water druppelt neer.
Ze valt in slaap.
Ze word plotseling wakker en kijkt om zich heen, steekt snuffelend haar neus in de lucht. Er hangt een vreemde geur in de duisternis. Het zou haar bang moeten maken, haar terug moeten jagen in het diepe, donkere gat, maar ze kan zich niet verroeren. Haar maag is zo strak en leeg dat het pijn doet.
Het vallende water is nu niet meer boos; het is meer een soort sputteren. Ze wou dat ze de zon kon zien. Het leven is beter als ze in het licht is. Haar grot is zo donker.
Er knapt een twijgje.
Dan nog een.
Ze word onbewegelijk, dwingt haar lichaam om tegen de wand van de grot te verdwijnen. Ze word als haar eigen schaduw, plat en roerloos. Ze weet hoe belangrijk onbeweeglijkheid kan zijn.
Hem komt eraan. Hij is al te lang weg. Het eten is op. De zonnige dagen zijn voorbij, en hoewel ze blij is dat Hem weg is, is ze bang zonder Hem. Er was een tijd, lang geleden nu, dat Haar een beetje geholpen zou hebben, maar zij is DOOD.
Als het weer stil word in het bos, leunt ze naar voren en steekt haar gezicht in het grijze Daar Buiten. De duisternis van slaapnacht komt eraan; weldra zal het overal zwart zijn om haar heen. Het vallende water is vriendelijk en zoet. Ze van die smaak.
Wat moet ze doen?
Ze kijkt neer op de pup naast zich. Ook hij is alert, snuffelt met zijn neus in de lucht. Ze raakt zijn zachte vacht aan en voelt het trillen in zijn lijf. Hij vraagt zich hetzelfde af; zou Hem weer terugkomen?
Vroeger was Hem altijd hooguit twee manen weg. Maar alles was anders sinds Haar dood en weg was. Toen Hem wegging, had hij zelfs tegen Meisje gepraat.
LIEFZIJNTERWIJLIKWEGBENOFANDERS.
Ze begrijpt niet alle woorden, maar Of Anders weet ze wel.
Toch is het al te lang geleden sinds hij weg is gegaan. Er is niets te eten. Ze heeft zichzelf bevrijd en is het bos in gegaan voor bessen en noten, maar het is het donkere seizoen. Al snel zal ze te zwak zijn om eten te zoeken, en er zal sowieso niets meer zijn zodra het wit begint te vallen dat haar adem in mist verandert. Hoewel ze bang is, doodsbang, voor de Onbekenden die Daar Buiten wonen, is ze uitgehongerd, en als Hem terugkomt en ziet dat ze zichzelf heeft bevrijd, is het niet best. Ze moet iets doen…